Zuivel

Foto: Pixabay
Foto: Pixabay

Huidige situatie

Sudwest Fryslân is een gemeente van veehouders. Er zijn 553 melkveehouderijbedrijven, waarvan 3% biologisch is gecertificeerd. Driekwart van de melkproductie is voor de export. Volgens de Rabobank (april 2016) is een derde van de melkveehouders momenteel in betalingsproblemen. Dit heeft grotendeels te maken met de lage melkprijs voor gangbare melk en de hoge financieringslasten door investeringen in grote stallen en melkrobots. Het wegvallen van het melkquotum heeft de afgelopen jaren geleid tot schaalvergroting en veel investeringen in (inrichting van) stallen. De huidige onzekerheden rond het handhaven van de uitzonderingspositie van Nederland in het gehalte fosfaten dat mag worden uitgereden per hectare zorgt voor grote onrust. En waarschijnlijk tot een verplichte inkrimping van de huidige veestapel. Met als potentieel gevolg leegstand van (nieuwe) stallen.

Diepe ontwatering, nodig voor het kunnen betreden van het land door grote en zware werktuigen, heeft geleid tot ernstige verzakkingen en bodemdaling. Met grote uitgaven aan infrastructuur en huizen tot gevolg.

Er is nauwelijks contact tussen boer en consument. De melk verdwijnt in de tankwagen om als melkpak in de supermarkt te verschijnen waarbij het onmogelijk is te traceren waar de melk in het pak vandaan komt. Vrijwel alle melk die in SWF geproduceerd wordt gaat naar de melkfabriek van Workum om tot kaas voor de Duitse export verwerkt te worden of naar de poedermelkfabrieken in Leeuwarden en Heerenveen om daar tot babyvoeding voor de Chinese markt verwerkt te worden.

Van de melk die de Nederlandse boeren produceren, wordt ruim 75% in het buitenland geconsumeerd en dat percentage neemt nog steeds toe. De Nederlandse boer mag op zijn eigen erf rauwe melk uit de tank tappen en verkopen (met een waarschuwing dat de melk gekookt moet worden) maar daar wordt slechts op geringe schaal gebruik van gemaakt. Verkoop van lokale rauwe melk in flesjes in de supermarkt zoals in Duitsland of verkoop van verpakte rauwmelkse zuivelproducten op boerenmarkten zoals in Groot-Brittannië, is hier niet toegestaan als gevolg van de zuivelbepaling in de Warenwet.

Vrijwel alle melk die in SWF gangbaar geproduceerd wordt, gaat naar de buitenlandse consument. De consumptiemelk die in de Friese supermarkt ligt komt grotendeels uit Brabant en Zuid-Holland (Friesland Campina), uit België en Duitsland. Grote zuivelcoöperaties en inkooporganisaties van supermarkten zijn bepalend in deze situatie, die het leeuwendeel van de melkconsumptie betreft. Naarmate de consument meer en meer bewust lokaal gaat eten en vraagt naar lokale zuivel, zullen deze partijen bewogen worden deze situatie te herzien.

De kleinschalige lokale verwerking van melk tot andere producten is beperkt. De Nylander in Workum maakt kaas voor o.a. lokale consumptie. In Kimswerd zit een geitenkaasmakerij ‘Buter, Brea en skiepetsiis’. In IJlst maakt ‘De Wylde Boerinne’ karnemelk, yoghurt en custardvla van reguliere melk. In Scharnegoutum maakt ‘Tikje anders’ ijs van melk van ‘Buurvrouw Durkje’ uit Vegelinsoord.

 

Gewenste situatie en obstakels

Voor substantiële lokale duurzame consumptie is het wenselijk om meer biologische melk te produceren. Maar boeren hebben als gevolg van de Warenwet en leveringsafspraken met hun zuivelcoöperaties niet veel mogelijkheden hun melk lokaal af te zetten. Als zuivelcoöperaties geen ruimte geven voor meer lokale verwerking maar wel een groeiende vraag ontstaat naar lokale zuivel, ontstaat er ruimte voor nieuwe (biologische) zuivelcoöperaties die zich toeleggen op de lokale consument en een compleet zuivelassortiment. In de markt verschijnen meer en meer partijen die zich op zo’n ontwikkeling toeleggen, zo is er sinds januari 2017 een mobiele kaasmaker die melk verwerkt op het eigen erf van de melkveehouder.

Bij meer lokale verwerking van melk in diverse zuivelproducten ontstaat een breder aanbod voor de lokale consument en meer lokale werkgelegenheid. Kennis over het ‘zuivelen’ is echter vaak niet meer aanwezig. Wetgeving voor voedselverwerking is gericht op grootschalige productie en werpt een blokkade op voor de kleine producent. Voor een kleinschalige boerderijproducent die ook zijn producten wil verkopen is het lastig dat alleen eigen producten vanaf het eigen erf verkocht mogen worden. Als de afstand tussen consument en producent kleiner wordt en schakels in de tussenhandel verdwijnen zou de wetgeving zich daar ook naar moeten aanpassen.

Daarnaast wil de consument aandacht voor dierenwelzijn (weidegang), voedselveiligheid (geen of summier gebruik van antibiotica) en natuur- en landschappelijke waarden (natuurontwikkeling, weidevogels) en duurzaamheid (uitstoot van broeikasgassen, fijnstof). Door directe verkoop aan de consument van een breder scala aan producten zouden de producten een eerlijke prijs voor de boer moeten opleveren, een trouwe clientèle en de boer minder afhankelijk maken van exportinkomsten. De consument wil dan wel graag inzicht in de mate van duurzaamheid van de boer.

Nieuwe ontwikkelingen om de melkveehouderij om te vormen naar een natuurinclusieve landbouw, bieden volop kansen voor de boer die genoodzaakt is de koers van zijn bedrijfsvoering om te vormen. Het natuurbeheer dat de boer verricht zou ook voldoende vergoed moeten worden.

Ook voor initiatieven als Herenboeren, waarbij lokale consumenten zich als voedselcoöperatie verenigingen en afzet garanderen voor een moderne boerderij in de regio, zou een alternatief voor het bestaande melkveehouderijmodel kunnen bieden. Dat daarmee geen alternatieve bestemming ontstaat voor alle melk die in Friesland voor de wereldmarkt produceert, mag vanzelf spreken. Maar als de boer voldoende verdient met een kleinere productie is een afname van volume wellicht niet zo erg.

Meer lokale bedrijvigheid en grotere diversiteit in het landschap maakt de omgeving aantrekkelijk voor dagjesmensen en toeristen. Streekproducten zijn een belangrijke toeristische trekker en kunnen lokale producenten in ons toeristische omgeving een flinke afzet bieden. Dit leidt tot werkgelegenheid in horeca, gastenverblijven en kleinschalige toeristische attracties. Wellicht deels binnen de contouren van de stallocaties die dan wellicht niet meer als zodanig in gebruik zijn. Maar dit alles vraagt wel om een visie en coördinatie opdat deze ontwikkelingen elkaar ondersteunen en niet in de weg zitten.

Mogelijke oplossingen

Wetgeving
Om meer lokale zuivelconsumptie mogelijk te maken is een aanpassing van het zuivelbesluit in de Warenwet nodig. Door (biologische) melkveehouders toe te staan hun melk (en melkproducten) in een melktapautomaat in de bebouwde kom, in een supermarkt of een andere plek dan het eigen erf te verkopen, wordt de ontmoeting met de consument verbreed. Ook zou de verkoop van deze melk door andere partijen dan de producent zelf moeten worden toegestaan. De voedselveiligheid kan worden gewaarborgd door de nieuwe pasteurisatie methoden en technieken om ziektekiemen tegen te gaan, zoals Pure Pulse. Voedselveiligheid is hierbij natuurlijk van groot beland. Actoren: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zuivelcoöperaties, boerenorganisaties en marktpartijen.

Behoud van draagvlak melkveehouderij
Voor de grote zuivelcoöperaties is de lokale consument een speler van marginaal belang. Als zij voor de melkveehouderij in het Friese landschap draagvlak willen houden, is betrokkenheid bij de lokale consument echter van belang. Door melk traceerbaar te maken voor de consument en melk lokaal te verwerken kan die betrokkenheid vergroot worden. Actoren: (mogelijk nieuw te vormen) zuivelcoöperaties en boerenorganisaties.

Kennisontwikkeling
Veel gangbare boeren en tuinders zitten vast in een systeem van voorgangers die op dezelfde wijze hebben gewerkt. Ook de toeleverende- en verwerkende industrie (zadenhandel, zuivelcoöperaties, inkooporganisaties) hebben veel belang bij en invloed op het behoud van het huidige systeem. Een overstap naar duurzame productiewijzen vraagt kennis van nieuwe werkvormen en moed om het vertrouwde pad te verlaten voor nieuwe productiewijzen. Een gedegen opleiding gericht op de ‘overstappers’, inspirerende voorbeelden van voorgangers en begeleiding bij het opstarten van die nieuwe werkwijze is van groot belang. Ook om de ‘grotere machten’ die het liever bij het oude laten het hoofd te bieden. Kennis over het verwerken van de melk in diverse producten, maar ook over wet- en regelgeving voor lokale producenten. Actoren: Opleidingsinstituten of particuliere opleidingen, specifiek voor deze doelgroep, op het gebied van zuivelverwerking en het modern gemengd bedrijf. Wetenschapswinkel.

Onderzoek
Het is wenselijk om een project op te zetten om een uitgebreide kosten- en batenanalyse te maken voor een aantal vormen van landbouw in Friesland, namelijk gangbaar en permacultuur, zowel als separate veeteelt- of akker/tuinbouwbedrijven als voor gemengde bedrijven. Wat is de èchte prijs van melk? De uitkomsten van het onderzoek zal beschikbaar moeten komen voor het publieke debat over een substantiële omschakeling naar een duurzame voedselvoorziening voor Friesland en daarbuiten. Daarnaast is het wenselijk om de huidige ervaringen met natuurinclusieve landbouw in een financieel model te vatten om daaruit de mogelijkheden van deze vorm van landbouw voor een gezonde bedrijfsvoering inzichtelijk te maken.  Actoren: Kennisinstellingen, onderzoeksbureaus, provincie.

Duurzaamheidsmeetlat (ook voor de andere sectoren)
De consument wil graag producten van lokale boeren kopen, maar is vaak ook begaan met duurzame thema’s als klimaatverandering, biodiversiteit en dierenwelzijn. Hoe scoren de lokale boeren op deze schaal? Wat is lokaal? Een heldere concrete meetlat met op de specifieke sector afgestemde criteria zou vrij beschikbaar moeten zijn. Boeren zouden kunnen worden getoetst door vertegenwoordigers van deze consumenten zelf. Actoren: Wetenschap en consumentenorganisaties. Publieke financiering door provincie.

Visieontwikkeling
Een nieuwe invulling van het buitengebied vraagt om visie en planning. Niet alleen voor het voeden van de bevolking in de dorpen, maar ook voor het voeden van de bevolking in de steden. Kleinschalig en grootschalig moeten elkaar niet in de weg zitten. Bestemmingsplannen en de interpretatie van bestemmingsplannen moet ruimte geven aan datgene wat wenselijk is voor de toekomst. Waar ligt waarde voor het buitengebied? Wat biedt werkgelegenheid? Wat sluit aan bij ontwikkelingen van klimaat, waterstanden, biodiversiteit. Maar ook bij de ontwikkelingen van de lokale-, regionale-, nationale en internationale markt. Voedselvisies van andere gemeenten kunnen ter inspiratie dienen. Actoren: Rijk, provincie, gemeenten en maatschappelijke organisaties.